Columns

Vrijheid

10 september 2020, Supportbeurs

Negen weken min één dag zat ik opgesloten in mijn aanleunappartement. Vanwege de ‘corona-maatregelen’ mocht ik niet verder dan mijn brievenbus in de hal en op een met bouwhekken afgezet stuk terras. Totdat op donderdag 28 mei jongstleden rond 15.00 uur iemand kwam vertellen dat we naar buiten mochten. Op het moment dat ik dit hoorde, was er een maatschappelijk werkster bij me. We hadden net een erg beladen onderwerp besproken toen het nieuws over de ‘vrijlating’ binnenkwam. Ik geloofde het eerst niet en begon te huilen. De ontlading was groot.

Ik wilde gelijk naar buiten, de wind voelen, de vrijheid voelen, maar het plein voor mijn appartement was vol amusement voor de ouderen. ‘Liedjes van toen’ is de vaste activiteit op de donderdagmiddag en mensen van het dorp komen dan ook naar het plein. Als ik naar buiten wilde, moest ik door die drukte en zag er tegen op dat mensen me zouden aanspreken. Ik was immers nog niet gewend aan ‘hoe hou je mensen op anderhalve meter afstand’. Ik zei tegen m’n maatschappelijk werkster dat ik de volgende dag wel naar buiten zou gaan. Zij wist als geen ander hoe graag ik de Zeeuwse lucht weer wilde opsnuiven en stelde voor om samen te gaan. Dat vond ik zo lief van haar.

Tien minuten later zat ik in mijn elektrische rolstoel en gingen we naar buiten. Ik was zenuwachtig  en emotioneel. Mensen op het plein waren blij voor me en snapten zonder uitleg dat ik weg wilde. Op de parkeerplaats nam ik afscheid van m’n maatschappelijk werkster. We maakten nog een laatste afspraak om de lock-down crisis af te ronden.

Tijdens de rit door de Zeeuwse polders viel het me op dat de aardappelplanten op het land al behoorlijk groot waren. Ik besefte dat ik een stuk van het leven had gemist. Het leven had niet negen weken min één dag stilgestaan. Andere jaren zie ik het nieuw ingezaaide op het land als kleine scheuten uit de grond komen maar nu waren het al volledige planten. Ik zat te huilen op m’n ‘cabrio’. Tranen van blijdschap dat ik weer buiten mocht komen, maar ook tranen van verdriet over het waarom. Er was niet één coronapatiënt in ons WoonZorgCentrum en aanleunappartementenblok geconstateerd. M’n medebewoners en ik waren niet geveld door corona, maar door somberheid en frustratie.

Inmiddels is het half augustus. In de media hoor ik berichten dat er elke dag meer coronabesmettingen zijn. Mensen raken het beu om ‘voorzichtig’ te doen, willen elkaar weer aanraken en samen de zomer vieren in binnen- of buitenland. Dat dat niet verstandig is, weet iedereen maar men vindt feesten en ontspanning nu belangrijker dan Covid-19.

Ik merk dat de spanning in mijn lijf toeneemt en ben ongerust over een mogelijke tweede lock-down. Kunnen en mogen ze ons nog een keer opsluiten? Kan ik eind augustus nog steeds niet naar mijn vrijwilligerswerk op de basisschool? Wordt ons leven nog een keer stilgelegd?

De coronacrisis is nog niet voorbij en waarschijnlijk zal het virus nog wel een hele tijd onder ons zijn. Daarom probeer ik nu zo veel mogelijk te genieten van familie en vrienden op anderhalve meter afstand en van het rijden op m’n cabrio in de polders en langs de Westerschelde.

Het woord ‘vrijheid’ heeft voor mij na 28 mei een nog mooiere en waardevollere lading gekregen.

Column door Liesbeth van Assche.

Bekijk en lees alle columns door Liesbeth van Assche >

Ook interessant